Mijn ongeneeslijk zieke client mocht zijn eigen hennepolie maken.

In deze strafzaak is de client van strafpleiter Mr. Maarten Witlox vervolgd wegens het bezit van 1,7 kg hennep en het telen van 40 hennepplanten. Bij client thuis waren 40 hennepplanten aangetroffen en 1,7 kg henneptoppen. Client is door de Rechtbank Amsterdam vrijgesproken van het bezit van henneptoppen en ontslagen van alle rechtsvervolging voor het telen van zijn eigen hennepolie.

 

De rechtbank moest oordelen over het verweer van client. Client deed een beroep op het bestaan van een noodtoestand. Client is een man van 36 die lijdt aan chronische leukemie. Hij teelt hennep om daar zijn eigen cannabisolie van te maken. Hij gebruikt deze hennepolie voor pijnbestrijding en verlichting van de klachten en bijwerkingen die optreden bij het gebruik van zijn noodzakelijk in te nemen medicijn. Als hij dit medicijn niet gebruikt overlijdt hij aan de gevolgen van deze leukemie.

 

Strafrechtspecialist Mr. Maarten Witlox heeft bij de rechtbank aangevoerd dat het strafbare feit bewezen verklaard kan worden, maar dat client niet strafbaar is nu er sprake is van overmacht.

 

Het is strafrechtadvocaat Mr. Witlox bekend dat uiterst strenge jurisprudentie bepaalt dat het bijzonder moeilijk is om een resultaat te bereiken in zaken als deze. De Hoge Raad heeft in zijn arrest d.d. 16 september 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC7923) bepaald dat slechts zeer uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval mee kunnen brengen dat het overtreden van de Opiumwet gerechtvaardigd kan zijn.

 

Mr. Witlox heeft niet alleen een schrijven van de huisarts en behandelend specialist overgelegd, waaruit blijkt dat client lijdt aan een ongeneeslijke ziekte. Strafrechtspecialist Witlox heeft ook een deskundige ingeschakeld. In dit deskundige rapport heeft deskundige Hazekamp uitvoerig uiteengezet dat client zelf een bijzondere soort cannabisolie produceert en er geen legaal alternatief door client te verkrijgen is. De via de apotheek te verkrijgen legale cannabisolie is qua soort, samenstelling en extractiemethode niet geschikt voor client. De door client zelfbereide cannabisolie is van een andere chemische samenstelling. Dit product wordt niet gemaakt door de apotheek.

 

Op deze wijze heeft client aangetoond dat hij lijdt aan een levensbedreigende ziekte en dat zijn zelfgemaakte cannabisolie, die van een bijzondere chemische samenstelling is, hem helpt bij bestrijding van de pijn en misselijkheid. Aangezien hij heeft aangetoond dat er geen legaal alternatief voorhanden is, slaagt het beroep op overmacht- noodtoestand, zoals bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht.

 

Het maatschappelijk belang, te weten het naleven van de Opiumwet, moet in dit bijzondere geval wijken voor het persoonlijke belang van deze client van Mr. Maarten Witlox. In dit specifieke geval is het ten laste gelegde telen van hennep door client niet strafbaar. De client van strafrechtadvocaat Mr. Maarten Witlox wordt dan ook door de rechtbank te Amsterdam ontslagen van alle rechtsvervolging.

 

Dit betekent overigens niet automatisch dat client straffeloos zijn cannabisolie kan blijven produceren. De rechtbank heeft slechts een oordeel gegeven over de belangenafweging in dit specifieke geval met betrekking tot het ten laste gelegde feit. Het is mogelijk dat client in de toekomst wederom door het Openbaar Ministerie wordt vervolgd voor een zelfde feit. Uiteraard zal strafadvocaat Mr. Witlox dan wederom namens zijn client een beroep doen op het bestaan van een noodtoestand.

 

Mr. Maarten Witlox, strafrechtadvocaat te Amsterdam, verwijst naar de gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Amsterdam in rechtspraak.nl. Deze uitspraak is namelijk gepubliceerd met de vindplaats: ECLI:NL:RBAMS:2021:69.

 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:69

 

 

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.148640.19

Datum uitspraak: 14 januari 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 november 2019, 6 februari 2020 en 31 december 2020. Verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.I. Witlox, waren daarbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.S. de Weijer, en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Verdachte wordt kort gezegd beschuldigd van:

het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van 1,7 kilogram henneptoppen en/of 40 hennepplanten op 18 juni 2019 te Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 De waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van partijen

Zowel de officier van justitie als de raadsman vindt dat kan worden bewezen dat verdachte 40 hennepplanten heeft gekweekt en dat hij van het aanwezig hebben van de henneptoppen moet worden vrijgesproken.

3.2.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte 40 hennepplanten heeft gekweekt. Van het aanwezig hebben van de henneptoppen wordt hij vrijgesproken.

In de woning van verdachte zijn op 18 juni 2019 40 hennepplanten aangetroffen. Verdachte bekent de planten te hebben gekweekt en heeft verklaard dat hij dit al ruim tien jaar doet om cannabisolie van te maken. Verdachte lijdt aan chronische lymfatische leukemie. De ziekte is niet te genezen, maar verdachte gebruikt medicijnen om zijn bloedwaarden op peil te houden. Tegen de bijwerkingen van de medicatie gebruikt verdachte de cannabisolie, waarover hierna onder 5 meer.

4 De bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bewezen dat verdachte

op 18 juni 2019 te Amsterdam in een pand aan de [adres] opzettelijk heeft geteeld en opzettelijk aanwezig heeft gehad 40 hennepplanten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

5.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt dat sprake is van een overmacht situatie, in de zin van noodtoestand, waardoor het feit niet strafbaar is. Verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte gebruikt de cannabisolie om de bijwerkingen van zijn medicatie (Ibrutinib) tegen te gaan. Ibrutinib veroorzaakt ernstige maagpijn, waartegen verdachte morfine voorgeschreven krijgt. Van de morfine krijgt verdachte last van obstipatie. Bovendien heeft verdachte van de morfine een steeds hogere dosis nodig om het gewenste effect te bereiken. Van de morfine wordt hij misselijk en krijgt hij stemmingswisselingen die verband houden met de afhankelijkheid ervan. De cannabisolie voorkomt en/of verdrijft zijn misselijkheid, geeft hem een hongergevoel, waardoor hij beter op gewicht blijft, onderdrukt de pijn, waardoor hij beter kan slapen en brengt hem in betere stemming, waardoor hij minder depressief en negatief is. Daar komt bij dat verdachte inmiddels angstaanvallen en kokhalsneigingen krijgt bij het innemen van zijn medicatie. Daarbij helpt de cannabisolie hem rustig te worden voordat hij zijn medicatie moet innemen. Reële alternatieven voor de zelfgemaakte cannabisolie zijn er niet. Verdachte heeft geen cannabis op recept kunnen krijgen van zijn huisarts. Maar al zou dat wel zo geweest zijn, was dat geen alternatief geweest. De cannabis die bij de apotheek te verkrijgen is, heeft veel lagere concentraties werkzame stoffen dan het product dat verdachte zelf maakt. Bovendien is de samenstelling van het product van verdachte uniek en precies goed voor hem. Een zelfde product is bij de apotheek niet te krijgen. Om aan een zelfde dosis werkzame stoffen te komen zou hij grote hoeveelheden van het product van de apotheek moeten gebruiken. Medicinale cannabis wordt niet vergoed door de verzekering. Dit zou volstrekt onhaalbare kosten met zich meebrengen. Voor het kopen van cannabis bij de coffeeshop geldt hetzelfde; dat kan verdachte niet betalen. Omdat de leveranciers van de coffeeshops niet gecontroleerd worden is het bovendien onduidelijk wat er in het product zit aan schadelijke stoffen. De verdediging verwijst naar de aangeleverde stukken waaronder doktersverklaringen en een rapport van deskundige Hazekamp.

5.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie 

De officier van justitie vindt dat verdachte geen beroep op overmacht toekomt. De officier van justitie neemt van verdachte aan dat cannabis in het algemeen lijkt te werken voor verdachte en dat meer in het bijzonder zijn eigen gemaakte cannabisolie voor hem werkt. Dat de door verdachte gemaakte cannabisolie zo uniek is dat alleen dit product voor verdachte werkt en alle andere producten niet is onvoldoende onderbouwd. Naast het verslag van deskundige A. Hazekamp had verdachte ook een verklaring moeten overleggen van een arts, bijvoorbeeld van een neuroloog, een neuropsycholoog of een anesthesioloog-pijnspecialist. Die verklaring zou moeten gaan over de daadwerkelijke werking van de door verdachte gemaakte cannabisolie bij zijn specifieke klachten en de effectiviteit daarvan als medicijn voor verdachte. Die deskundige zou zich dan ook hebben moeten uitlaten over de stelling dat alle andere medicijnen of alternatieve manieren van pijnbestrijding geen of te weinig effect hebben op de klachten van verdachte. In deze zaak heeft de hematoloog zich daar alleen in algemene bewoordingen over uitgelaten. Er is bijvoorbeeld mogelijk nog ruimte voor alternatieve methoden, ook voor de psychische klachten bij het innemen van de medicatie. De laatste keer dat verdachte hiervoor hulp zocht was een aantal jaren geleden. Niet duidelijk is geworden dat in deze concrete zaak sprake is van zulke uitzonderlijke omstandigheden dat het feit niet strafbaar is.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank 

De rechtbank vindt het bewezen feit niet strafbaar, omdat sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie, waardoor van verdachte niet gevergd kon worden dat hij geen hennepplanten zou kweken.

Het beoordelingskader

Iedere burger moet zich aan de wet houden, maar er zijn situaties die zo bijzonder zijn dat het normaal gesproken strafbare feit in dat hele bijzondere geval tóch niet strafbaar is. Daar doet de verdediging in deze zaak een beroep op. Uit rechtspraak van de Hoge Raad1 volgt dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval mee kunnen brengen dat het overtreden van de Opiumwet gerechtvaardigd kan zijn, onder meer in geval van een noodtoestand. Die noodtoestand kan zich voordoen als de pleger van het feit bij de noodzakelijke keuze uit onderling strijdige plichten de zwaarstwegende plicht voorrang heeft gegeven. Omdat een bijzondere regeling van ontheffing mogelijk is zal bij het kweken van hennep een beroep op noodtoestand slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard.

De medische noodsituatie van verdachte

De huisarts van verdachte, [naam huisarts] , heeft in een brief van 19 juli 2019 verklaard dat verdachte als gevolg van THC-gebruik minder morfine nodig heeft. In een aanvullende e-mail heeft de huisarts verklaard dat verdachte pijnklachten heeft, met name in het botstelsel en de buik, die terug te voeren zijn op zijn chronische ziekte en de behandeling daarvan, en dat deze pijn niet helemaal onder controle is te krijgen met morfine. Het is een bekend feit dat cannabis de effecten van morfine versterkt en dat verdachte in combinatie met cannabis met minder morfine toe kan. De hevige pijn als gevolg van Ibrutinib houdt bij de meeste patiënten na een maand of vier op, maar bij verdachte niet. Verdachte heeft hiervoor een tijd morfine gekregen, maar dit hielp niet en cannabis wel. Op de ziekte zelf heeft cannabis geen invloed, op de pijnbeleving wel. Omdat verdachte door cannabis met minder morfine toe kan heeft hij ook minder (last van) bijwerkingen van morfine, aldus huisarts [naam huisarts] . Verdachte heeft verklaard tussen de keuze te staan een middel te nemen met geen bijwerkingen (cannabisolie) en een zwaar chemisch middel met bijwerkingen (morfine), waardoor hij nóg meer medicatie moet nemen. Zelfs met cannabisolie moet hij nog steeds de medicatie tegen de bijwerkingen van morfine erbij nemen. Het verlagen van de dosis Ibrutinib heeft verdachte geprobeerd, maar bleek geen optie omdat zijn bloedwaarden vrijwel onmiddellijk achteruit gingen, aldus verdachte.

De rechtbank concludeert al met al dat er een medische noodzaak is voor verdachte om medicinale cannabis te gebruiken.

De alternatieve mogelijkheden om cannabis te verkrijgen

Verdachte heeft uitgebreid verklaard over het ontbreken van een reëel alternatief voor zijn cannabisolie, zie hiervoor onder 5.1. Deskundige Hazekamp schrijft in zijn verslag dat de beschikbare cannabis in de apotheek mogelijk niet geschikt is qua soort, samenstelling en extractiemethode. Hij schrijft dat het verdachte tenminste € 810 per maand aan wietolie bij de apotheek zal kosten om tot de zelfde hoeveelheden werkzame bestanddelen te komen als in zijn zelf gemaakte cannabisolie. Hazekamp heeft op de zitting verklaard dat het via de apotheek verkrijgen van de cannabisolie in dezelfde samenstelling als verdachte hem maakt niet mogelijk is, omdat de apotheken andere bereidingsmethodes hebben. Om de samenstelling van de cannabisolie van verdachte te krijgen moet een nieuw product worden gemaakt met een andere chemische samenstelling en dat behoort niet tot de mogelijkheden voor individuele patiënten.

De conclusie

De rechtbank vindt dat verdachte met zijn verklaring, ondersteund door die van zijn huisarts en deskundige Hazekamp, voldoende heeft aangetoond dat er voor hem geen redelijk legaal alternatief is voor zijn eigengemaakte cannabis. Ook is voldoende aangetoond dat verdachte lijdt aan een levensbedreigende ziekte en dat hij zonder cannabis door deze ziekte zeer veel fysiek en mentaal ongemak ervaart.

Dit betekent dat verdachte zich in deze zaak geconfronteerd ziet met een conflict van belangen: enerzijds het maatschappelijk belang bij het naleven van de Opiumwet en anderzijds het belang dat verdachte heeft bij de bestrijding van pijn, misselijkheid en het voorkomen van een zeer onwenselijke situatie. In deze situatie heeft verdachte redelijkerwijs de keuze kunnen maken zelf de door hem benodigde cannabissoort te kweken. Dit betekent dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarom slaagt het beroep op overmacht-noodtoestand als bedoeld in artikel 40 Wetboek van Strafrecht. Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het feit van 18 juni 2019 in dit specifieke geval niet strafbaar is.

6 De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging wat betreft dit feit.

Dit vonnis is gewezen door

  1. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. G.M. van Dijk, J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G.R. Becker, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 januari 2021.

 

 

Vrijspraak van belastingfraude (BTW-carrousel)

In deze strafzaak is de client van Mr. Maarten Witlox vervolgd vanwege betrokkenheid bij een BTW belastingcarrouselfraude. Client zou lid zijn van een criminele organisatie die tot doel had misdrijven te plegen. Deze misdrijven bestonden uit het vele malen doen van valse aangifte omzetbelasting, het opmaken van valse facturen en het gebruikmaken hiervan.

Uit het dossier was onomstotelijk komen vast te staan dat de medeverdachte de initiator en uitvoerder was van een in- en verkoopcarrousel van mobiele telefoons. Deze medeverdachte heeft hiervoor twee medeverdachten benaderd, waaronder de client van Mr. Witlox.

Deze medeverdachte/initiator beschikte over een netwerk waardoor hij contacten had met zowel de leveranciers als ook de afnemers van mobiele telefoons. Deze telefoons werden door deze medeverdachte, gebruikmakend van het Nederlandse bedrijf van client, gekocht in EU landen buiten Nederland en na aankoop in Nederland bij een derde opgeslagen. Deze intracommunautaire verwerving is belast met Nederlandse BTW. Het Nederlandse bedrijf van client had dan recht op vooraftrek.

De mobiele telefoons werden nadien doorverkocht aan bedrijven in andere EU-landen. Door deze tweede intracommunautaire levering bestond recht op toepassing van het nultarief, dat wil zeggen dat het bedrijf van client geen BTW in rekening bracht.

De initiator/medeverdachte zorgde vervolgens dat deze buitenlandse bedrijven deze telefoons weer doorverkochten aan opvolgende schakels in Nederland. Deze buitenlandse bedrijven behoefden over deze verkoop ook geen BTW te betalen. Deze opvolgende Nederlandse afnemers van de telefoons moesten nu wel BTW afdragen, maar hebben dit nooit gedaan. Deze katvangers waren de zogenaamde ploffers. Deze bedrijven waren fake en zijn failliet gegaan (geploft).

Met de gegevens van de door deze initiator gesloten transacties maakte de client van Mr. Witlox zijn vervoersdocumenten en zijn aangiften omzetbelasting op. Het bedrijf van de client van strafrechtspecialist Witlox werd gebruikt door deze initiator, die echter client niet van alle ins en outs op de hoogte bracht.

Uit het beschikbare bewijs is namelijk gebleken dat deze mobiele telefoons nadat zij waren ingekocht door de initiator/medeverdachte niet feitelijk zijn geleverd aan het buitenlandse bedrijf, maar rechtstreeks van het bedrijf waar deze telefoons waren opgeslagen in Nederland naar de Nederlandse afnemers (de ploffers) gingen. Er was derhalve sprake van een schijnconstructie. Hiervan was client niet op de hoogte.

De vraag die de rechter diende te beantwoorden was niet of de client van Mr. Maarten Witlox wist of had moeten weten dat hij door zijn aankoop deelnam aan een transactie die onderdeel was van BTW-fraude, hetgeen door het Europese Hof van Justitie is uitgemaakt in de Kittelzaak (HvJ 6 juni 2007,C-439/04). Dit was namelijk een belastingzaak en daar ging het om grove schuld.

In deze strafzaak ging het niet om schuld, zoals in het belastingrecht, maar om opzet. Mr. Witlox heeft kunnen aantonen dat client niet wist dat hij met zijn bedrijf onderdeel uitmaakte van een BTW-carrouselfraude.

Lastiger was het voor Mr. Witlox om aan te tonen dat client ook met betrekkking tot de ondergrens van opzet, het voorwaardelijk opzet, moest worden vrijgesproken. Het is namelijk niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust  heeft aanvaard (voorwaardelijk opzet). Er bevonden zich in het dossier aanwijsbare omstandigheden die in het nadeel van de client van Mr. Witlox spraken. Deze omstandigheden hebben client uiteindelijk ook doen besluiten nader onderzoek te doen en op grond hiervan te stoppen met zijn werkzaamheden voor de initiator/medeverdachte.

Mr. Witlox heeft aan kunnen tonen dat veel handelingen door de initiator/medeverdachte op slinkse wijze buiten het zicht van client plaatsvonden. Strafrechtspecialist Witlox heeft zo aannemelijk kunnen maken dat zijn client niet wist van het niet doorleveren naar het buitenland en van het inschakelen van de uiteindelijke ploffers (katvangers).

Advocaat Witlox heeft aannemelijk kunnen maken dat het bedrijf van zijn client werd misbruikt door de medeverdachte/initiator. Er bestonden aanwijzingen dat er strafbare feiten werden gepleegd en die heeft client niet opgemerkt. Client had wellicht nader onderzoek moeten doen, maar de belangrijkste misstanden waren voor hem niet eenvoudig te achterhalen.

Het Gerechtshof heeft client uiteindelijk dan ook vrijgesproken. Het Hof oordeelde dat client had moeten weten dat de handel in telefoons van de medeverdachte/initiator gepaard ging met strafbare gedragingen, maar dat client – achteraf bezien – te veel heeft vertrouwd op hetgeen de medeverdachte hem had voorgespiegeld. Dit “had moeten weten” houdt volgens het Hof een zware vorm van schuld in, maar is onvoldoende om te bewijzen dat client voorwaardelijk opzet heeft gehad. Vrijspraak voor client dus.

Het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 2 augustus 2019, met parketnummer 23-000908-17 is niet gepubliceerd. De verdachte was in eerste aanleg door de rechtbank te Amsterdam reeds vrijgesproken bij vonnis van 2 maart 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:3951). De Officier van Justitie was van dit vonnis is hoger beroep gegaan. In dit  OM-appel vorderde de Advocaat Generaal namens het openbaar ministerie 240 uur dienstverlening en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Gelukkig voor client eindigde deze lange periode van onzekerheid in een vrijspraak. De initiator is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

De feiten achter het strafdossier 3

De stelregel van Mr. Witlox advocaat in Amsterdam is dat hij bij de voorbereiding van een strafzaak alle stukken zelf leest en inziet. Dit betekent dat hij geen genoegen neemt met alleen het schaduwdossier dat standaard door de rechtbank of het openbaar ministerie aan hem  verschaft wordt. In dit schaduwdossier zitten weliswaar alle processtukken, maar ontbreken achterliggende stukken zoals de daadwerkelijke opnames van telefoontaps, camerabeelden of audiovisueel opgenomen verhoren.  Deze worden  in het schaduwdossier wel beschreven, maar niet bijgevoegd.

Het is in het belang van de cliënt dat ook deze achterliggende stukken grondig bestudeerd worden door de strafrechtadvocaat. Geregeld blijken bevindingen in het schaduwdossier namelijk niet overeen te komen met het ‘ruwe materiaal.’ Met andere woorden: het proces verbaal, waarin de verbalisant optekent wat hij waarneemt bij het uitlezen van telefoontaps, video’s en geluidsopnames, kan onvolledig of onjuist zijn en niet overeenkomen met de daadwerkelijke opnames.

Dit kan het verschil betekenen tussen een veroordeling en vrijspraak. Mr. Witlox, strafrechtspecialist te Amsterdam, vindt het daarom buitengewoon belangrijk dat  alle achterliggende stukken altijd worden opgevraagd om grondig te bestuderen en met cliënt te bespreken.

Een cliënt was op enig moment in het uitgaansleven betrokken geraakt bij een vechtpartij en werd vervolgd voor mishandeling, althans openlijke geweldpleging. Na bestudering van de stukken leek het een ronde zaak: er was een aangifte die ondersteund werd door twee getuigenverklaringen. De politie had een beschrijving van de opgenomen camerabeelden bij het dossier gevoegd, die deze getuigenverklaringen ondersteunde. Client zelf had door zijn alcoholconsumptie zelf geen herinnering meer aan de gebeurtenissen in die bewuste nacht. Op grond van dit procesdossier zou de cliënt van Mr. Witlox een veroordeling niet kunnen ontlopen.

Als raadsman van cliënt vroeg Mr. Witlox echter de camerabeelden op die hij nauwgezet bestudeerde. Maarten Witlox bracht zodoende aan het licht dat zijn cliënt weliswaar bij de vechtpartij had gestaan, maar geen enkele geweldshandeling verrichtte. Integendeel, uit de beelden bleek dat de cliënt van Witlox de vechtenden, waaronder de medeverdachte, die een vriend van cliënt was, juist uit elkaar haalde. Mr. Maarten Witlox heeft uiteraard verzocht om deze beelden op de zitting af te spelen, zodat de rechter en de Officier van Justitie zelf konden waarnemen dat zowel de verklaring van de aangever, de getuigen, als ook de beschrijving van de beelden door de politie niet overeenkwamen met de feiten zoals zichtbaar op de camerabeelden van die nacht. De cliënt van Mr. Witlox werd op grond hiervan vrijgesproken.

De feiten achter het strafdossier 2

De stelregel van Mr. Witlox advocaat in Amsterdam is dat hij bij de voorbereiding van een strafzaak alle stukken zelf leest en inziet. Dit betekent dat hij geen genoegen neemt met alleen het schaduwdossier dat standaard door de rechtbank of het openbaar ministerie aan hem  verschaft wordt. In dit schaduwdossier zitten weliswaar alle processtukken, maar ontbreken achterliggende stukken zoals de daadwerkelijke opnames van telefoontaps, camerabeelden of audiovisueel opgenomen verhoren.  Deze worden  in het schaduwdossier wel beschreven, maar niet bijgevoegd.

 

Het is in het belang van de cliënt dat ook deze achterliggende stukken grondig bestudeerd worden door de strafrechtadvocaat. Geregeld blijken bevindingen in het schaduwdossier namelijk niet overeen te komen met het ‘ruwe materiaal.’ Met andere woorden: het proces verbaal, waarin de verbalisant optekent wat hij waarneemt bij het uitlezen van telefoontaps, video’s en geluidsopnames, kan onvolledig of onjuist zijn en niet overeenkomen met de daadwerkelijke opnames.

 

Dit kan het verschil betekenen tussen een veroordeling en vrijspraak. Mr. Witlox, strafrechtspecialist te Amsterdam, vindt het daarom buitengewoon belangrijk dat  alle achterliggende stukken altijd worden opgevraagd om grondig te bestuderen en met cliënt te bespreken.

 

Een cliënt van Mr. Witlox was als bestuurder van een tram betrokken bij een frontale aanrijding van deze tram met een taxi. De inzittenden van de taxi raakten zeer zwaar gewond. De trambestuurder had een verkeerd staande wissel over het hoofd gezien, waardoor de tram plotseling linksaf was geslagen in plaats van rechtdoor was gegaan. De cliënt van Maarten Witlox werd vervolgd voor artikel 6 WVW, te weten het door grove of minder grove schuld veroorzaken van deze aanrijding met zeer ernstig letsel. Uit alle stukken was overduidelijk vast komen te staan dat cliënt als trambestuurder het wissellicht niet tijdig had opgemerkt en had verzuimd dit wissel in de juiste stand te zetten.

 

In deze zaak heeft Mr. Witlox alle rapporten van de politie en de ongevalsanalyse, zoals opgemaakt door de deskundigen nauwkeurig bestudeerd, alsmede alle beschikbare foto’s van de situatie ten tijde van de aanrijding. Op grond van deze bestudering is Mr. Witlox gebleken dat alle deskundigen de op deze kruising aanwezige bijzondere lichtinstallatie over het hoofd hebben gezien. Deze bijzondere lichtinstallatie, ook wel TWI geheten (tram waarschuwings installatie), was speciaal aangelegd om het tegemoetkomende verkeer, in dit geval de taxi, er op te wijzen dat de aankomende tram, die op grond van de wet voorrang heeft, af gaat slaan. Nu deze TWI door geen enkele deskundige in hun ongevalsanalyses was opgenomen heeft Mr. Witlox aan de Officier van Justitie en de werkgever van cliënt verzocht om twee dagen voor de zitting  alsnog onderzoek te doen op de plaats delict naar het bestaan van deze TWI en de werking hiervan. Deze stukken zijn op verzoek van strafrechtspecialist Witlox aan het procesdossier toegevoegd.

 

Op deze wijze kon Mr. Witlox aantonen dat zijn cliënt, de trambestuurder, niet schuldig is aan deze aanrijding. De trambestuurder werd dan ook door de rechtbank vrijgesproken van artikel 6 WVW. De trambestuurder werd wel wegens overtreding van het lichtste verkeersvergrijp, te weten artikel 5 WVW, veroordeeld tot een boete voor gevaarzetting door de rechtbank Amsterdam op 28 februari 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:1268).

De feiten achter het strafdossier 1

De stelregel van Mr. Witlox advocaat in Amsterdam is dat hij bij de voorbereiding van een strafzaak alle stukken zelf leest en inziet. Dit betekent dat hij geen genoegen neemt met alleen het schaduwdossier dat standaard door de rechtbank of het openbaar ministerie aan hem  verschaft wordt. In dit schaduwdossier zitten weliswaar alle processtukken, maar ontbreken achterliggende stukken zoals de daadwerkelijke opnames van telefoontaps, camerabeelden of audiovisueel opgenomen verhoren.  Deze worden  in het schaduwdossier wel beschreven, maar niet bijgevoegd.

Het is in het belang van de cliënt dat ook deze achterliggende stukken grondig bestudeerd worden door de strafrechtadvocaat. Geregeld blijken bevindingen in het schaduwdossier namelijk niet overeen te komen met het ‘ruwe materiaal.’ Met andere woorden: het proces verbaal, waarin de verbalisant optekent wat hij waarneemt bij het uitlezen van telefoontaps, video’s en geluidsopnames, kan onvolledig of onjuist zijn en niet overeenkomen met de daadwerkelijke opnames.

Dit kan het verschil betekenen tussen een veroordeling en vrijspraak. Mr. Witlox, strafrechtspecialist te Amsterdam, vindt het daarom buitengewoon belangrijk dat  alle achterliggende stukken altijd worden opgevraagd om grondig te bestuderen en met cliënt te bespreken.

Een cliënt van Mr. Witlox werd verdacht van het beroven van een persoon op het perron van het Centraal Station in Amsterdam. In het dossier zaten twee verklaringen van politieagenten die deze beroving hadden gezien. Deze agenten bevonden zich op perron 7 en konden de beroving, die zich op perron 5 had afgespeeld, zien. Mr. Maarten Witlox is op grond van de stellig ontkennende cliënt zelf gaan rechercheren en heeft op grond van dit onderzoek een belangrijk stuk aan het procesdossier kunnen toevoegen. Mr. Witlox heeft namelijk het dienstrooster weten te bemachtigen van de NS, waaruit bleek dat op het moment van deze beroving een zeer lange internationale trein ruim 10 minuten stil stond op perron 6, zodat de waarneming van deze politieagenten niet kon kloppen. Op het moment van beroving op perron 5 was het namelijk onmogelijk om van perron 7 iets waar te nemen op dit perron 5, nu een lange internationale trein, die zich op perron 6 bevond, het zicht ontnam. De rechter sprak de cliënt van Mr. Maarten Witlox uiteraard op grond van dit ingebrachte processtuk, te weten het dienstrooster, dan ook vrij.

Voor meer informatie of juridisch advies over de bijstand in strafzaken  kunt u contact opnemen met Mr. Witlox, gespecialiseerd strafrechtadvocaat in Amsterdam.

Verdachte en slachtoffer in het strafrecht

http://witlox-strafrecht-advocaat-amsterdam.nl/

Strafrechtadvocaat Mr. Maarten Witlox, advocaat gespecialiseerd in strafrecht in Amsterdam, behandelt zowel strafzaken waarbij hij de verdachte bijstaat, als ook soms zaken waarbij hij de benadeelde partij -het slachtoffer– bijstaat. Onze advocaat in strafzaken kent derhalve zowel de positie van de verdachte als ook die van het slachtoffer in het strafproces.

Rechten van slachtoffers in strafzaken

Strafrechtspecialist Witlox heeft kennis genomen van het wetsvoorstel van minister Sander Dekker om de rechten van slachtoffers in de rechtszaal uit te breiden. Dekker wil dat verdachten van zware gewelds-en zedenmisdrijven verplicht aanwezig moeten zijn  in de rechtszaal als een slachtoffer gebruik maakt van het spreekrecht.

Mr. Maarten Witlox vindt dit geen goed voorstel. Sinds 2005 is de positie van slachtoffers in het strafproces steeds verder uitgebreid. Er was op zich een goede reden om de positie van het slachtoffer uit te breiden, maar nu schiet de minister door.

In het verleden was het slachtoffer aangewezen op een dure en tijdrovende civiele procedure om zijn schade verhaald te krijgen op de dader, die het slachtoffer schade heeft toegebracht.

Benadeelde partij in het strafproces

Sinds de Wet Terwee (Wet van 23 december 1992, inwerkingtreding per 1 april 1993) heeft het slachtoffer de mogelijkheid om zich door middel van een advocaat als benadeelde partij in het strafproces te voegen. Dit is verankerd in het Wetboek van Strafvordering te weten in de artikelen 51a Sv e.v.. Op deze wijze kan het slachtoffer de geleden schade, die veroorzaakt is door de dader, mits voldoende bepaalbaar en  onderbouwd, verhalen op de dader, als deze laatste wordt veroordeeld voor het tenlastegelegde feit. Slechts als het te ingewikkeld wordt kan de rechter deze vordering afwijzen. Het criterium wat hierbij wordt gehanteerd is thans: of het strafgeding hierdoor onevenredig wordt belast.

Schadevergoeding aan het slachtoffer

Als de rechter tot een veroordeling komt kan de strafrechter in het vonnis de veroordeelde op deze wijze tevens veroordelen in het betalen van schadevergoeding aan het slachtoffer. Ter incassering kan ook de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd, waardoor niet het slachtoffer deze schade dient te incasseren bij de veroordeelde, maar de Staat voor incasso zorgt.

In de loop der tijd is de positie van het slachtoffer verder uitgebreid. Het wetsvoorstel hiertoe is tot stand gekomen op basis van de voorstellen die zijn gedaan in de rapporten van het onderzoeksproject Strafvordering 2001 onder leiding van prof. Mr. M.S. Groenhuijsen en prof. Mr. G. Knigge. Dit alles heeft geresulteerd in een wetswijziging die aan het slachtoffer nog een aantal concrete bevoegdheden heeft toegekend. Het slachtoffer heeft sinds de invoering van deze wet in 2005:

  • het recht op informatie,
  • het spreekrecht
  • en het recht om kennis te nemen van de processtukken.

Schadevergoeding buiten het strafproces

Naast het voegen als benadeelde partij is ook de mogelijkheid gecreëerd om bij het schadefonds geweldsmisdrijven schadevergoeding buiten het strafproces of civiele proces om te verzoeken. Dit was bij wet van 26 juni 1975 voorlopig geregeld en is bij wet van 23 december 1992 gewijzigd in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.  Op grond van deze wet kunnen uit het fonds uitkeringen worden gedaan aan een slachtoffer, te weten:

  • iemand die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf
  • ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

Naar de mening van Mr. Witlox advocaat strafrecht in Amsterdam is op bovenstaande wijze de positie van het slachtoffer in het strafproces al op een voldoende wijze versterkt. Er zijn al de nodige problemen in de strafpraktijk van alledag te melden.

Verkeersslachtoffer

In een strafzaak, waarbij strafrechtspecialist Witlox als advocaat een verdachte als raadsman in het strafproces heeft bijgestaan bij de meervoudige rechtbank te Amsterdam, was er een dodelijk verkeersslachtoffer te betreuren. De nabestaanden, die zich via hun advocaat hadden gesteld als benadeelde partij en ter zitting uitgebreid gebruik hebben gemaakt van hun spreekrecht, hebben voorafgaand aan de zitting zich al zo bedreigend jegens de client van mr. Witlox uitgelaten dat zijn client, de verdachte, niet met zijn advocaat ter zitting durfde te verschijnen. Client wilde graag verschijnen en zijn aanwezigheid was in de strafzaak ook zeer wenselijk.

Sterke positie van het slachtoffer in het strafrecht

De strafzaak moest vanwege de eerder genoemde dreigementen echter buiten aanwezigheid van de verdachte op de behandeling ter terechtzitting worden afgedaan. Uiteraard heeft onze strafrechtspecialist  als gemachtigde, zonder aanwezigheid van de verdachte, als raadsman de verdediging gevoerd. Dit was geen wenselijke situatie. In deze zaak komt naar de mening van de verdediging naar voren dat er ook sprake kan zijn van een te sterke positie van het slachtoffer, als gevolg waarvan een goede rechtsgang in het geding kan komen.

Confrontatie tussen verdachte en slachtoffer

Een te sterke positie van het slachtoffer leidt op deze wijze mogelijk tot een heftige confrontatie tussen verdachte en slachtoffer, waarbij een ‘oog om oog tand om tand’ en andere onderbuikgevoelens naar boven kunnen komen. Juist om dit soort confrontaties te voorkomen is toch ooit het strafproces ingevoerd, waarbij het Openbaar Ministerie namens de maatschappij (de staat) optreedt tegen de verdachte. Er is een grote kans dat het strafproces op deze wijze te veel bepaald wordt door de emoties. Het is een feit dat deze er zijn bij een slachtoffer en dat deze een plaats moeten krijgen, maar naar de mening van strafrechtadvocaat  Witlox niet in het strafproces, althans niet in deze fase. Dit kan in deze fase een oneigenlijke invloed hebben op de rechters.

Verdachte of dader?

Hoe zou het dan wel moeten? Er is in het strafproces nog steeds sprake van een ‘verdachte’, niet van een ‘dader’. De rechtbank moet eerst bezien of de verdachte  veroordeeld kan worden voor het tenlastegelegde. In de door Witlox hierboven geschetste casus werd de verdachte uiteindelijk vrijgesproken. De nabestaanden hebben al hun -terechte- emoties ten onrechte op deze verdachte geuit.

Naar mijn mening voert minister Sander Dekker ter motivering van zijn wetswijziging ten onrechte aan:  “Verdachten moeten worden geconfronteerd met het leed dat zij slachtoffers hebben aangedaan “ . De minister vereenzelvigd de ‘verdachte’ hier ten onrechte met de ‘dader’.

De dader in het strafrecht mag hiermee naar de mening van Mr. Witlox geconfronteerd worden, niet de verdachte. Als de verdachte later wordt vrijgesproken, is deze in het proces ten onrechte gezien als dader en ten onrechte door de nabestaanden met leed en wensen tot vergelding geconfronteerd. Dit kan een vrijgesproken verdachte naar de mening van mr. Witlox beschadigen.

Tenlastegelegde en toerekening

Strafrechtadvocaat Witlox is een groot voorstander van het scheiden van deze processen. Eerst vindt het strafproces plaats, waarbij wordt beoordeeld of het tenlastegelegde feit aan de verdachte kan worden toegerekend. Als de verdachte schuldig is bevonden kan dan in een hier opvolgende procedure, waarbij de straf wordt bepaald, ook de vordering benadeelde partij met alle merites van dien aan bod komen. Op deze wijze worden zowel de belangen van de verdachte als ook  die van het slachtoffer beter gewaarborgd.

Contact met advocaat strafrecht in Amsterdam; voor dader en slachtoffer (benadeelde partij)

Voor juridisch advies over strafrecht en dader en slachtoffer in strafzaken, kunt u contract opnemen met Mr. Witlox gespecialiseerd advocaat strafrecht in Amsterdam.

 

Vrijspraak en schadevergoeding in het strafrecht

http://witlox-strafrecht-advocaat-amsterdam.nl/

Hoe zit het met de kosten die de verdachte aan zijn advocaat strafrecht heeft betaald, als hij wordt vrijgesproken? Kan dat verhaald worden op de overheid? De strafrechtspecialist Maarten Witlox van ons advocatenkantoor in Amsterdam licht toe hoe een vrijspraak na een verdenking van dood door schuld eindigde in een schadeclaim tegen de Staat der Nederlanden.

Slachtoffer ongeval aanrijding

Een bestuurder van een brommer was om het leven gekomen bij een aanrijding. De vraag was of de bestuurder van de andere weggebruiker, die in aanrijding was gekomen met de brommer, door rood licht had gereden. Omdat de nabestaanden van het slachtoffer

  • een videofilm hadden getoond
  • waaruit blijkt dat er op enig moment door rood licht wordt gereden op deze kruising,
  • en hadden geklaagd over de slecht werkende verkeerslichtinstallatie ter plaatse,

werd de werkgever van de bestuurder, betrokken bij dit dodelijk ongeval, door het OM als verdachte aangemerkt.

Verdachte

De Officier van Justitie had ten laste gelegd dat de werkgever

  • onvoldoende had ingegrepen,
  • onvoldoende maatregelen had genomen,
  • naar aanleiding van klachten over de werking van deze verkeerslichtinstallatie

en op deze wijze strafrechtelijk aansprakelijk zou zijn voor de dood van de bestuurder van de brommer bij dit ongeval.

Deskundigen

Alle betrokkenen partijen zijn in raadkamer van de rechtbank te Amsterdam gehoord naar aanleiding van de vordering van de Officier van Justitie. Onze strafrecht advocaat heeft allereerst betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard, omdat zij de termijn voor vervolging had laten verlopen. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de Officier van Justitie, in strijd met hetgeen de verdediging van de werkgever heeft betoogd, toch een nieuwe termijn voor vervolging gekregen van de rechtbank.

Getuigen

Bij de Rechter-Commissaris zijn in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek, op verzoek van de raadsman vele getuigen gehoord. Er werden op verzoek van de verdediging ook deskundigen ingeschakeld die rapporteerden over de verkeersinstallatie.

Vrijspraak

Uiteindelijk is de strafzaak inhoudelijk behandeld bij de meervoudige strafkamer van de Rechtbank te Amsterdam. Bij vonnis van 30 december 2015 werd de werkgever vrijgesproken door de Rechtbank te Amsterdam.

Strafrechtelijk verwijtbaar

De rechtbank overwoog dat niet was komen vast te staan dat de werkgever op enige wijze strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Er was wel komen vast te staan dat de verkeerslichtinstallatie niet altijd even goed functioneerde. Niet is komen vast te staan dat deze verkeerslichtinstallatie op het moment van het dodelijk ongeval niet goed functioneerde. Sterker nog: er is door deskundigen gerapporteerd dat er op dat moment geen storingen waren in de verkeerslichtinstallatie. Ook kon niet worden vastgesteld wie er door het rode stoplicht is gereden. Tevens is niet gebleken dat de client van mr. Witlox onvoldoende informatie zou hebben verstrekt, danwel onvoldoende maatregelen zou hebben genomen met betrekking tot de storingen.

Bijzonder is in deze zaak was dat het tonen van een film waarbij door rood gereden wordt, terwijl de andere richting groen heeft, grote impact heeft op de kijker, ook als dit een rechter is. Mr Witlox heeft altijd betoogd dat zijn cliente ten onrechte als verdachte is gezien. Uiteindelijk is dat ook in deze rechtzaak komen vast te staan.

Schadevergoeding van kosten in het strafrecht

Een gevolg van deze vrijspraak is geweest dat de werkgever schadevergoeding kon vragen van alle gemaakte kosten. Op deze wijze is het wel een dure les geworden voor de staat, want de kosten van enkele tienduizenden euro’s moesten integraal worden vergoed.

VOG en beroepsverbod

http://witlox-strafrecht-advocaat-amsterdam.nl/

Mr. Witlox  advocaat VOG in Amsterdam geeft juridisch advies bij de aanvraag of afwijzing van een VOG. Een VOG (verklaring omtrent gedrag) is vaak nodig om een baan te krijgen. Dienst Justis kan een VOG op grond van de beleidsregels weigeren of afwijzen. Dit gebeurt als de aanvrager een strafbaar feit heeft gepleegd dat relevant is voor de betreffende functie, waardoor hij een risico is voor de samenleving. Daarvoor geldt een terugkijk termijn van twintig jaar. Als geen VOG wordt afgegeven dan kan men een zienswijze indienen en daar vervolgens bezwaar tegen maken volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Soms komt de afwijzing van de VOG neer op een beroepsverbod, waardoor iemand zijn werk niet meer kan doen, bijvoorbeeld vanwege een zedendelict. Wat kan de aanvrager van de VOG dan nog ondernemen?

Aanvraag VOG

Bij besluit van 9 maart 2015 had de staatssecretaris een aanvraag om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag voor de functie van wijkverpleegkundige afgewezen. De VOG was afgewezen

  • omdat cliënt was veroordeeld tot een werkstraf 
  • wegens het plegen van ontucht
  • met een patiënt in de functie van verpleegkundige.

Bij besluit van 9 juni 2015 had de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard.

Beroep VOG

Namens de cliënt heeft advocaat mr. Witlox in Amsterdam beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem, sector bestuursrecht. Bij uitspraak van 20 oktober 2015 heeft de rechtbank het ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 juni 2015 vernietigd, het besluit van 9 maart 2015 herroepen en bepaald dat de aangevraagde VOG alsnog wordt afgegeven.

Raad van State

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van het ministerie van veiligheid en justitie hoger beroep ingesteld bij de Raad van State. Namens de cliënt heeft mr. Witlox ook hier verweer gevoerd en o.a. aangevoerd dat de weigering het onmogelijk maakt dat zijn cliënt zijn werkzaamheden als verpleegkundige voort zet.

Beroepsverbod

Mr. Witlox heeft als advocaat van de aanvrager aangevoerd dat:

  • de cliënt het delict had gepleegd in een periode waarin hij onder grote persoonlijke druk stond;
  • dat de kans op herhaling klein is;
  • de staatssecretaris de VOG had moeten afgeven;
  • de staatsecretaris niet alle relevante omstandigheden en belangen bij zijn beoordeling had betrokken.

De strafrechter had in de strafzaak het door de officier van Justitie gevorderde beroepsverbod immers afgewezen en de officier van justitie is hiertegen niet in hoger beroep gegaan.

Tuchtcollege

Na het delict is client in therapie gegaan en hij is zich bewust geworden van de noodzaak om op de juiste wijze met spanningen om te gaan. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft de client voorwaardelijk geschorst voor één jaar met een proeftijd van twee jaar. Volgens zowel het tuchtcollege als de strafrechter mocht de client dus weer werkzaam zijn als verpleegkundige. Daarnaast had mr. Witlox psychologische rapportages overgelegd waaruit blijkt dat de kans op herhaling onwaarschijnlijk is.

Disproportioneel

Op grond van de van toepassing zijnde beleidsregels kon de VOG enkel worden afgegeven indien de weigering ervan evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

Zedendelict

Vaststond dat de client voorafgaand aan het delict zonder incidenten 26 jaar en sinds het delict, na een onderbreking van ongeveer zes maanden in verband met zijn strafrechtelijke vervolging, zonder incidenten ten minste zeven jaar als verpleegkundige in de gezondheidszorg heeft gewerkt.

Deskundige

Volgens de deskundige is het delict een eenmalig en door uitzonderlijke spanning ingegeven incident geweest, waarbij de client zich direct heeft gerealiseerd dat wat hij deed in alle opzichten ongepast was. Dit oordeel heeft de strafrechter overgenomen. Zowel de strafrechter als de tuchtrechter hebben het belang van de bescherming van de maatschappij meegewogen.

Psychologisch rapport

In het kader van de aanvraag VOG heeft in een nieuw psychologisch rapport opgesteld, waaruit is gebleken dat er geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De deskundige oordeelt dat er vanuit gedragskundig oogpunt geen sprake is van een verhoogd recidivegevaar:

“Op basis van de gestructureerde risicotaxatieinstrumenten zijn er geen noemenswaardige aanwijzingen gevonden voor een verhoging van de kans op herhaling.”

Recidive

De Raad van State heeft uiteindelijk geoordeeld dat van belang is dat het tuchtcollege en de strafrechter zich eerder al gemotiveerd over een beroepsverbod hebben uitgesproken. De staatssecretaris mocht niet zonder nadere motivering concluderen dat herhaling niet onwaarschijnlijk is. Het gevaar voor recidive is immers nooit geheel uit te sluiten.

Advocaatkosten

De cliënt heeft uiteindelijk zijn VOG gekregen van het Ministerie. Hij heeft ook een groot gedeelte van zijn advocaatkosten teruggekregen, maar het heeft hem een jarenlange strijd gekost.

  • De uitspraak is te vinden onder ECLI:NL:RVS:2016:1649.
  • De uitspraak van de rechtbank Haarlem is ook gepubliceerd: ECLI:NL:RBNHO:2015:8918.
  • Deze uitspraak is geannoteerd in GZR-Updates.nl 2016-0254 en JB 2016/157; NJB 2016/1297; AB 2016/271 met annotatie van A.C. Hendriks Hoogleraar gezondheidsrecht, Universiteit Leiden.

Voor meer informatie of juridisch advies over afgifte van een VOG (verklaring omtrent gedrag), of het indienen van een zienswijze of bezwaar kunt u contact opnemen met Mr. Witlox, gespecialiseerd advocaat VOG in Amsterdam.

 

Voorwaardelijk voor vernieler beeld Balkenende

http://witlox-strafrecht-advocaat-amsterdam.nl/

De man die in september het wassen beeld van premier Jan Peter Balkenende in Madame Tussauds Amsterdam vernielde, is vrijdag veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van tachtig uur. De politierechter vond het niet nodig hem een onvoorwaardelijke straf te geven. Het Openbaar Ministerie had een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een werkstraf van zestig uur geëist.

Hans Peter N., een 46-jarige man zonder vaste woon- of verblijfplaats uit de regio Rotterdam, bekende de vernieling op 5 september eerder al. Volgens zijn advocaat Maarten Witlox, die tevreden is met het vonnis, had zijn cliënt het hoofd van de CDA-premier vernield omdat hij publiciteit wilde zoeken. Volgens hem is zijn cliënt psychisch instabiel.

Lees verder:

https://www.parool.nl/alle-nieuws-over-mens-en-maatschappij/?offset=1497473314217-4580